Geschiedenis

De ambachtsheerlijkheid Kloetinge, vroeger en nu

Piet Leupen

In het midden van de provincie Zeeland ligt het dorp Kloetinge, het mooiste dorp van het eiland Zuid-Beveland. Midden in het dorp staat de laat-middeleeuwse Geerteskerk en vlak daarbij ligt de vate, waar ooit het vee gedrenkt werd. Kloetinge is ook bekend vanwege het feit dat het een van de weinige Zeeuwse plaatsen is, waar een uit de Middeleeuwen daterende instelling, de ‘ambachtsheerlijkheid’ geheten, nog springlevend is.

 

Dat deze term niet veel te maken heeft met hetgeen wij doorgaans onder `heerlijk’ verstaan, zal duidelijk zijn. En natuurlijk, als je het over zo’n ambachtsheerlijkheid hebt, komt ook altijd de bezitter van de heerlijkheid ter sprake, de ambachtsheer of ambachtsvrouwe. Nu is er een ambachtsvrouwe, mevrouw J.J. van Dijk van ’t Velde - Jonkvrouwe Radermacher Schorer. Is overal elders de heerlijkheid eigenlijk een uitstervend historisch fenomeen, hier in Kloetinge ligt het dus toch een beetje anders.

 

Wat is nu een ambachtsheerlijkheid?

Het best is zij te vergelijken met een gemeente, en de ambachtsheer met een burgemeester, maar dan vóór 1795. Natuurlijk zijn er ook grote verschillen. Volgens de rechtshistoricus De Blécourt is een ambachtsheerlijkheid een stuk overheidsgezag in een bepaald gebied, dat men niet als ambtenaar, niet als ondergeschikte van de overheid, uitoefent, maar als eigen erfelijk recht, en dat gezag hield men vroeger in het algemeen in leen. Ingewikkeld nietwaar, een publiekrechtelijke (openbare) functie die het privaatrecht volgt. Maar ja, we zijn dan ook in de Middeleeuwen en de tijd van het Ancien Régime (vóór de Franse Revolutie, in ons land begonnen 1795). Later meer hierover.

 

De aankoop

In maart 1843 kocht Johan Jacob Patijn uit Den Haag de ambachtsheerlijkheid Kloetinge voor zijn kleinzoon Johan Cornelis Clotterbooke Patijn (1832-1876). Op dat ogenblik waren al bepaalde onderdelen van het geheel van rechten en bezittingen vervreemd (verkocht, in onbruik geraakt of weggegeven), onder andere het zogenaamde windrecht. Een van de voorgangers van Patijn had de verplichting van de molenaar om ieder jaar een zak fijn meel af te leveren bij de ambachtsheer  geschonken aan het Sint Sebastiaansgilde voor het houden van hun gildemaaltijd. Tussen haakjes, dit gilde, van oorsprong een handbooggilde, bestaat overigens nog tot op de dag van vandaag. Het telt 24 man, en de ambachtsheer of –vrouwe heeft ook thans nog het recht om uit een voordracht van drie personen de bovenaan geplaatste te kiezen.

 

Bij de `zeer aanzienlijke Ambachtsheerlijkheid van Cloetinge’ behoorden bij de koop in 1843: het herenhuis, vier boerderijen en landerijen, losse goederen en een kudde schapen. De ambachtsheerlijkheid ging voor ƒ13 000 over de tafel; in totaal betaalde de voogd en grootvader voor alles wat er verder nog aan vastzat ƒ67 140.

 

De woning van de ambachtsheer, het herenhuis, lag aan het Geertesplein en werd door de grootvader van de huidige ambachtsvrouwe in 1880 verkocht. Koper was de kerkvoogdij van de Hervormde kerk die het huis bestemde voor de predikant. Men brak het huis af, bouwde een nieuw huis op en omdat zoveel ruimte ernaast over was, heeft men op het perceel ook nog het gemeentehuis met secretariswoning gezet. Vóór de verkoop had de ambachtsheer al in 1871 een nieuw buitenhuis, in de wandeling bekend als het Jachthuis, laten bouwen, naar ontwerp van de architect J.H. Hannink. Het voorste gedeelte was bestemd voor de ambachtsheer als hij naar Kloetinge kwam om zich te vermeien – meestal om te jagen – , en in het achterste gedeelte woonde de jachtopzichter, tevens huisbewaarder.

 

De vicariestichting `de vijf capelrijen’

Bij de aankoop van de ambachtsheerlijkheid waren meestal zogenaamde ambachtsgevolgen inbegrepen; bezittingen of rechten, die eigenlijk niet tot de ambachtsheerlijkheid behoorden maar er dikwijls wel mee verbonden werden. Een of meer vicariestichtingen hoorden daar ook bij.

 

Wat is een vicariestichting?Iedereen die voldoende bemiddeld was kon in de Middeleeuwen zorgen voor zijn eigen zieleheil na zijn dood. Waarom maakte men zich druk om zijn ziel na de dood? Men geloofde dat de individuele ziel van de meeste stervelingen (heiligen natuurlijk uitgezonderd, die gingen linea recta naar de hemel) niet direct naar de hemel vloog maar eerst nog in het vagevuur moest branden. Afhankelijk van het aantal en de grootte van de zonden, kon het verblijf variëren van enkele jaren tot enkele eeuwen. Als hij dan gelouterd was en al zijn zonden waren weggebrand mocht de ziel naar de wachtkamer van de hemel. Daar aangekomen moest hij wachten op het Laatste Oordeel. Op de jongste dag, het einde der tijden, zou Christus recht spreken over alle zielen, die dan, verenigd met hun lichaam, voor zijn troon zouden verschijnen om het oordeel te horen. Door er voor te zorgen dat er veel missen gelezen werden voor de ziel van de overledene kon de tijd in het vagevuur wat bekort worden. Daartoe moest een of enkele keren per jaar een mis worden opgedragen waarbij de overledene(n) werd(en) herdacht en in Gods bijzondere aandacht werden aanbevolen: een zogenaamde memorie- of zielemis. Dikwijls werd er zelfs een privé altaar gesticht waaraan dan alleen zielemissen voor de stichter en zijn nakomelingen konden worden gelezen. Dit alles kostte veel geld: er moesten in een fonds of stichting goederen worden ingebracht, landerijen of renten, waaruit de priesters werden betaald die voor de zielemissen en de altaren zorgden. We noemen zo’ n fonds een vicarie, kapelanie of kapelarij en zo’n priester een vicarist of kapelaan. Overal kwam dit fenomeen voor. Pas het doordringen van de Reformatie maakte er in onze streken een eind aan. De zielemissen en altaren werden door de protestanten afgeschaft, maar de vicarie-stichtingen als zodanig  bleven bestaan omdat ze privé eigendom van de stichter en zijn nazaten waren. De Staten van de gewesten in de Republiek konden deze eigendommen dus niet afschaffen, zoals ze met andere kerkelijke goederen wel deden. Die kerkelijke goederen werden overigens wel aangewend voor het traktement van de predikanten of het onderhoud van de kerk en de zorg voor de armen. Maar de Staten eisten wel dat eenderde van de inkomsten van de vicarieën voortaan zou worden afgedragen aan de Staten en ze bepaalden dat de overige tweederde, die aan de eigenaars bleef, zou worden aangewend voor charitatieve doeleinden, voor `vroom gebruik’, zo staat er in de stukken; door de rechtsopvolgers van de middeleeuwse stichters, dus meestal de ambachtsheren, nader te bepalen.

 

In Zeeland behoorden de ambachtsheren, zeker vanaf de Late Middeleeuwen, tot de rijke bovenlaag. Zij hebben veel vicarieën gesticht. In Kloetinge bestonden er vóór 1581 zeven vicarieën in de parochiekerk.Na de Reformatie bleven er vijf over, die niet toevallig allemaal beheerd werden door de grootste ambachtsheer van Kloetinge.

 

Ambachtsheerlijkheden (ambachten) kunnen thans zowel via de man als via de vrouw vererven. Vroeger was dat in het middeleeuwse Zeeland overigens anders, toen konden alleen zonen opvolgen, niet alleen de oudste, maar alle zonen hadden toen recht op het ambacht. Deze erfregel leidde tot de opsplitsing van de heerlijkheden in steeds kleinere delen. In de zeventiende eeuw kwam hier een einde aan toen rijkepatriciërs of steden (b.v. Goes) de delen ambachts­heerlijkheden opkochten. Vanaf de zeventiende eeuw wordt het ook gebruik dat de ambachtsheerlijkheid alleen op de oudste zoon en bij ontstentenis van zonen op de oudste dochter overerft. Na de Franse revolutie bepalen de bezitters zelf of er een zoon of dochter opvolgt; het hoeft ook niet meer de oudste te zijn.

 

De ambachtsheerlijkheid Kloetinge was in de zestiende en een deel van de zeventiende eeuw in het bezit van de aristocratische Van Borseles en deze familie is er ongetwijfeld in geslaagd om het beheer van hun vijf vicarieën in handen te houden. Vermoedelijk is dit de nazaten van de stichters van de twee andere vicarieën niet gelukt. Het vrome gebruik van de overgebleven vicariestichtingen in Kloetinge kreeg vorm in studiebeurzen voor theologiestudenten.

 

Na de aankoop van de ambachtsheerlijkheid en alles wat erbij hoorde – dus ook de vijf vicariestichtingen – wist Patijn met vooruitziende blik ook nog de verplichting om een derde deel af te staan aan de staat af te kopen, zodat de vijf stichtingen volledig onder zijn beheer kwamen. Waarom was Patijn er zo op gebrand om de vicariestichtingen in zijn geheel in handen te krijgen? Het was ongetwijfeld een belangrijk onderdeel van het hele complex: 32,3 ha grond (in 1909 -, in 1581 79 gemeten en 112 roeden, ongeveer dezelfde oppervlakte als in 1909), direct rond de oude dorpskern van Kloetinge gelegen. Op de gronden van deze vicarie-stichtingen en van de ambachtsheerlijkheid en verrezen in de loop van de eeuwen vier kapitale boerderijen: Weltevreden, gelegen aan de Jachthuisstraat hier vlakbij, daterend uit de late zeventiende eeuw; Middenhof aan de Abbekindersezandweg, in ieder geval achttiende-eeuws, maar misschien ook uit de zeventiende eeuw, de Elsahoeve (ter vervanging van twee kleinere hofstedes, vanaf 1891/1892) aan de Stelleweg en Welgelegen aan het Pijkjeswegje, ook uit de zeventiende eeuw. Alle boerderijen bestaan nog, zij het aanzienlijk verbouwd of zelfs helemaal gerenoveerd, terwijl de aangekochte bijbehorende landerijen aan grootte hebben ingeboet, onder andere door de uitbreidingen van Goes. Een erfdeling heeft ertoe geleid dat twee van de vier boerderijen met land  niet meer tot het huidige heerlijkheidscomplex behoren.

 

Nog bestaande ambachtsheerlijke rechten

Hoewel de hierna te noemen rechten eigenlijk geen echte ambachtsheerlijke rechten zijn, maar ambachtsgevolgen, omdat deze rechten niet behoren tot  het ambachtsheerlijke gezag als zodanig, worden ze er in de praktijk toch mee verbonden. Vandaag de dag bestaan er nog de volgende zakelijke rechten:

1) het visrecht in openbaar water binnen de voormalige gemeente Kloetinge. Dit wordt verpacht;

2) het laten beweiden en bemaaien van andermans grond;

3) het poot- en plantrecht: het recht om bomen te planten, op bermen van openbare wegen. Afgezien van het visrecht brengen de rechten van beweiden en planten en poten (2 en 3) dikwijls meer kosten dan voordelen met zich mee: vandaar dat men in de praktijk liever van het uitoefenen van dit recht afziet, al loopt men dan de kans dat na verloop van tijd dit recht wegens het niet meer uitoefenen vervalt;

4) recht van gestoelte: het bezit van een eigen bank in de kerk van Kloetinge;

5) het jachtrecht: niet onbelangrijk, dit bestaat nog steeds;

6) verder is de huidige ambachtsvrouwe nog steeds patroon van de vicariestichtingen. Zij bepaalt wat er met de inkomsten van de vicarie-stichtingen gebeurt. Tegenwoordig wordt zij ter zijde gestaan door een bestuur. Er worden geen theologiebeurzen meer verstrekt, omdat er geen kandidaten voor zijn, maar jonge Kloetingenaren kunnen nog steeds een studiebeurs aanvragen; daarnaast worden voor de dorpsgemeenschap belangrijke projecten gesubsidieerd, uniformen voor de brassband Excelsior en voor de schooljeugd van de Kloetingse lagere school een jaarlijks terugkerend festijn in de vroege zomer. Een paar jaar geleden verscheen een mede uit deze pot gefinancierd boek van Marian Lenshoek en Ronald van Immerseel. Twee jaar geleden kwam een boek over het plaatselijke schutterijgilde Sint Sebastiaan uit. Wie meer wil weten over ambachtsheren en de ambachtsheerlijkheid Kloetinge, over andere buitenplaatsen binnen de voormalige dorpsgrenzen en hun tot op de dag van vandaag doorlopende geschiedenis leze deze boeken.

 

Het ontstaan van ambachtsheerlijkheden en hun functie

Ooit, lang geleden, in de Vroege Middeleeuwen, waren de heersers van deze streken niet in staat om hun gezag effectief uit te oefenen. `Ambtenaren’ als betaalde agenten van dit centrale gezag bestonden er nog niet; de koningen en graven moesten zich bedienen van de lokale elite, die feitelijk ter plekke de macht uitoefende. Natuurlijk was dit niet altijd naar hun zin en probeerden zij deze bovenlaag naar hun hand te zetten of zo nodig te doen vervangen door aan hen loyale personen. Maar in het algemeen steunden de heersers op de lokale aristocratie, precies zoals de Britten in India en de Nederlanders in Indië hun macht fundeerden op de inheemse adel. Het voert te ver om hier uit te leggen waar die macht van de inheemse elite vandaan kwam; in Zeeland – om ons te beperken tot één voorbeeld – kwamen uit haar midden de leiders voort die aan de plaatselijke bevolking bescherming boden tegen de binnenvallende Vikingen, en dikwijls ook namens hen onderhandelden met machtigere heren. Ook bij de permanente strijd tegen het water speelden deze leiders een hoofdrol. In tijden van nood vluchtte de plaatselijke bevolking naar hun woningen die lagen binnen de versterkte voorhof aan de voet van het kasteelbergje (motte), waarop een verdedigingstoren stond. We weten dat er in het middeleeuwse Kloetinge minstens negen van zulke bergjes gelegen hebben. Er zijn er nog drie over, één ervan, de mooiste ligt in de tuin van de familie Lenshoek. Die tuin heeft oorspronkelijk ook deel uitgemaakt van het bezit van de ambachtsheerlijkheid, maar is in de achttiende eeuw verkocht.

In ruil voor de bescherming vroegen en verkregen de ambachtsheren een bijdrage in natura of in geld. Heeft de bevolking zich vrijwillig of gedwongen in die bescherming begeven? Dit is moeilijk te zeggen, het ligt voor ieder geval wat anders, meestal is het wel iets van het een en van het ander.

 

Merkwaardig is wel dat de bevolking op de Zeeuwse eilanden in de bronnen als amici, vrienden van de ambachtsheren genoemd wordt. `Vrienden en magen’ (de begrippen zijn feitelijk inwisselbaar) behoren in de Middeleeuwen tot de grote familia van de beschermer. De verplichtingen van de beschermden jegens de beschermer zijn tegelijkertijd derechten van de beschermer over de beschermden. Familia is dan ook de kring van rechtsgenoten. Dit systeem bestond eigenlijk overal in West-Europa. In Oost-Nederland zal men later spreken van de echte en de echtgenoten, met de daarbij behorende terminologie, zoals echtbreuk, echtscheiding, echtpaar en buitenecht.

 

De ambachtsheren als beschermers worden de belastinginners van de belasting (het schot) die de vorst aan al zijn onderdanen heeft opgelegd; zij zitten de plaatselijke rechtbank voor; spreken het vonnis uit en leggen boeten op en voeren straffen uit. Zij treden dus op als richters (rechters in de oude zin), en in een groot deel van de Middeleeuwen is dit ook dikwijls hun belangrijkste taak, vandaar dat zij heel lang als sculteti, schouten, en pas veel later als ambachtsheren in de bronnen voorkomen. Zij roepen ook op tot militaire taken, tot de verdediging van het gebied tegen vijanden en, niet onbelangrijk in dit gebied, tegen het water. Bij al deze typisch publieke taken is het duidelijk dat op een of andere wijze het centrale gezag (koning of graaf) betrokken is geraakt.

Zo ongeveer moet dan de functie ontstaan zijn van de ambachtsheer, die publieke taken uitoefent als onderdeel van zijn privé vermogen. Dat er toch sprake is en blijft van privé vermogen blijkt ook uit het feit dat in Zeeland de ambachtsheerlijkheid – het gebied waarbinnen hij zijn rechten uitoefent – na zijn dood over alle zonen verdeeld werd. Ik noemde dit verschijnsel al eerder. Eindeloze splitsing en verbrokkeling waren het gevolg.

 

Primogenituur (recht van de eerstgeborene) werd, in tegenstelling tot Holland, in Zeeland niet ingevoerd, evenmin als het echte feodale of leenstelsel. Hetzelfde zien we trouwens ook in Kennemerland en West-Friesland, om Friesland er maar helemaal buiten te laten. In de dertiende eeuw is door de Hollandse grafelijkheid de constructiebedacht om die Zeeuwse schouten of ambachtsheren als grafelijke leenmannen en hun ambt als grafelijke lenen te definiëren - Filips van Leiden ondersteunde deze visie - ; maar dit maakte geen einde aan de opsplitsbaarheid; van een officiële leenhulde aan de graaf - een gebruikelijke handeling in de feodale tijd - was geen sprake. De Zeeuwse ambachtsheerlijkheden zijn dan ook zeer atypische lenen.

 

De ambachtsheren behoorden tot de adel, vormden dus een aparte stand, onedele ambachtsheren kwamen in de Middeleeuwen niet voor. Wel waren er edelen die geen ambacht hadden. Er is één geval bekend van een Leidse patriciër die van zijn graaf in de eerste helft van de veertiende eeuw ambachtsheerlijke rechten kreeg; maar eerst moest hij edel naar Zeeuw recht worden. Anders kon hij zijn nieuwe bevoegdheden niet uitoefenen. Hij werd in de Zeeuwse adel opgenomen.

 

AmbachtsherenDoor de eindeloze splitsing van het ambacht onder zonen ontstond er nog in de Middeleeuwen een zeer grote groep kleine ambachtsheren van lage adel. Het waren er zoveel dat in een kleine  dorpgemeenschap als bij voorbeeld Rilland bijna iedereen van adel was! Het onderscheid tussen lageadel en niet-adel, tussen vrije en onvrije boeren en edele en niet-edele dorpelingen vervaagde verder in de zestiende eeuw, mede door het feit dat ambachten toen door de hoge adel, de rijksten, werden opgekocht. Die ambachtsheren behoorden tot de bovenlaag, tot de elite in het gewest Zeeland.

 

In Kloetinge waren er volgens Dekker in 1331 59 ambachtsheren, in 1439 28 en in 1515 nog 12. Met andere woorden: in de Late Middeleeuwen en in de eeuw daarna werden veel van die steeds kleinere ambachten verkocht, meestal aan hoge edelen, in de zestiende en zeventiende eeuw aan steden als Goes en ook, tenslotte, in de achttiende eeuw, aan niet-edele, maar wel vermogende patriciërs. Deze laatste groep probeerde met succes zoveel mogelijk ambacht en vooral het schoutambt (voorzitterschap van de rechtbank, weggelegd voor wie het meeste ambacht bezat) in handen te krijgen, meestal als statussymbool. Want zij konden zich vervolgens naar hun ambachtsheerlijkheid noemen. De term schout ging over op de lokale plaatsvervanger van die voornaamste ambachtsbezitter, die zich zelf ging tooien met de titel (ambachts)heer.

 

In de zeventiende  en volgende eeuwen maakt men overigens een subtiel verschil tussen de heer van Kloetinge (de voornaamste ambachtsbezitter en voorzitter van de rechtbank) en de heer in of tot Kloetinge (die alleen een deel ambacht heeft). De ambachtsvrouwe van Kloetinge is inderdaad vrouwe van en niet in of tot Kloetinge.

 

Adeldom speelde vanaf de zeventiende eeuw geen doorslaggevende rol meer bij het verkrijgen van een ambachtsheerlijkheid, en `heer van Kloetinge’ zijn betekende op zich dus niet dat men van adel was; het was (en is) nog steeds geen adellijke titel. Eigenlijk is het ook geen titel, maar een functie.

 

Waar komt de naam ‘ambacht’vandaan?Ambachtsheerlijkheden zijn dus lokale rechtskringen die niet in handen van de graaf zijn, maar in handen van derden. Het woord ambacht wordt in verband gebracht met het Keltische ambascia dat taak, opdracht, missie, reis betekent. Vandaar aansluiting bij woorden als ambasciator, ambassadeur.In dit woord zit het in veel indogermaanse talen voorkomende ambi, rond, en het francogallische aller, is: gaan. Het gebied waar die taak of dienst wordt uitgeoefend wordt allengs ook ambacht genoemd en dan zijn we bij onze specifieke betekenis aangekomen. 

 

Kloetinge is een dorp met een buitengewoon belangwekkend historisch en rechtshistorisch kader: de ambachtsheerlijkheid is er nog een levende zaak en de sporen van het verleden zult u er overal kunnen aantreffen. Waar in ons lieve vaderland vindt u een vergelijkbare plek?

 

Literatuur (een keuze):

Paul Brusse/Peter Henderikx (red.), Katie Heyning (beeldred.), Geschiedenis van Zeeland, deel I Prehistorie- 1550, Utrecht 2012

Paul Brusse/Wijnandt Mijnhardt, Katie Heyning (beeldred.), idem, deel II 1550 – 1700, Utrecht 2012

Paul Brusse/Jeanine Dekker, Katie Heyning (beeldred.),  idem, deel III 1700 – 1850, 2013

C. Dekker, Zuid-Beveland. De historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de middeleeuwen, Assen 1971

Marian Lenshoek en Ronald van Immerseel, Over ambachtsheren en kasteelbergen. De geschiedenis van twee buitenplaatsen in Kloetinge, Goes, 2006

Gerard Lepoeter, Marloes Matthijssen e.a., ‘Allemaal Zorro’s op het dorp!’ Het Sint-Sebastiaans- of handbooggilde te Kloetinge, Goes 2011

Piet Leupen, Zeeuwse ambachtsheren en hun ‘vrienden’, in: www.awnzeeland.nl/pages_content/page_368htm

 

 

Copyright 2013 - Vicariestichting De Vijf Capellarijen Ambachtsheerlijkheid Kloetinge  |  Aan de inhoud van deze website kunnen geen rechten worden ontleend.